Everything Dries Up

30 november 2009

Dikkejassendag is onzin

Collega P. lanceerde hier vorige week dikkejassendag, de dag waarop alle Vlaamse en Nederlandstalige vrouwen de rokjes terug in de kast hangen en hun zomerse decolleté zedig bedekken.

Een prachtige term voor een fenomeen dat iedereen intuïtief aanvoelt. Dus dacht ik, waarom deze mooie term niet verder lanceren? Ik maakte een Wikipediapagina aan, waarin ik netjes opschreef wat dikkejassendag dan wel betekent. Nu de Wikipediapolitie op apegapen ligt, zou dit ook wel door de mazen van het net glippen.

Slechts vijf minuten had ene Fred nodig om de bezemsteel boven te halen: de pagina kwam in aanmerking voor verwijdering. Zijn oordeel was hard: onzin.

561

Ach, collega P., niet getreurd. Het zou pas erg zijn als het begrip onmiddellijk aanvaard was. Nu kunnen we dikkejassendag bijschrijven op het lange lijstje van revolutionaire uitvindingen die initieel op hoongelach onthaald werden. Om er maar enkele te noemen:

“Who the hell wants to copy a document on plain paper???!!!” (over de Xerox kopiemachine)
“This is typical Berlin hot air. The product is worthless” (over de aspirine)
“I think there is a world market for maybe five computers.” (quote directeur IBM)
“Who the hell wants to hear actors talk?” (Warner (die van Warner Brothers) over geluid bij films)

Het lijdt geen twijfel dat dikkejassendag over vijf jaar een eigen, onuitwisbare, Wikipediapagina heeft. Dan kunnen wij er smalend het conservatieve karakter van Wikipedia in de verf zetten, door er aan toe te voegen dat dit begrip vijf jaar eerder gewist werd op ditzelfde medium. Als Wikipedia er dan nog is, tenminste.

26 november 2009

De Smet, Met Twee Woorden En Een Thee

Ik denk niet dat het u interesseert, maar ik ga door het leven als Dries De Smet. Ik heb daar zelf niet voor gekozen, mijn ouders slechts voor de helft. Al bij al heb ik daar niet over te klagen. Of toch?

De Smet, dat is een simpele en duidelijke naam, die echter zelden correct genoteerd wordt. Mijn volledige familienaam is dan ook “De Smet Met Twee Woorden En Een Thee”. Een toptien naam in België, net zoals het verwante Smith (nummer 1 in Engeland, Verenigde Staten en Australië), Schmidt (nummer 2 in Duitsland) en Ferrari (nummer 3 in Italië). Voor sommigen is de naam té simpel. Zo heb ik ooit een lief gehad wiens moeder het bestierf toen ze vernam dat haar potentiële kleinkinderen zo’n lelijke en banale familienaam zouden moeten dragen. Wat later heeft dat lief het ook uitgemaakt, al laat ik in het midden of dat de reden was.

Dries, ook een simpele en duidelijke naam. Afkomstig van Andreas, die dan wel een apostel was, maar op zijn minst aan een hip kruis gestorven is. Alleen jammer dat de naam moeilijk uit te spreken is. Niet-Nederlandstaligen verzinnen er grappige varianten op (Draaais! Drizz!) en voor kutkoters (Brugs voor kinderen) ben ik onveranderlijk Djies. Maar het ergste van al is dat ik mijn eigen naam niet kan uitspreken. De dames aan de overkant van de balie of de telefoonlijn vragen steevast als ik mijn naam doorgeef: “Is dat met een C of een K”?

Maar het helpt om te weten dat er nog meer mensen zijn die dit lot dragen. Ik heb ooit eens uitgerekend dat we met 23 moeten zijn. Daarvoor heb ik gewoon de kans op een Dries vermenigvuldigd met de kans op een De Smet, maal de Belgische bevolking. Dat is een lichte overschatting, want er zijn wel Walen die De Smet heten, maar de eerste Waal die Dries heet, moet ik nog tegenkomen. Enfin, dat compenseert dan voor het feit dat er misschien ook wel een Nederlander met mijn naam rondloopt. En voor het feit dat Dries populair is bij kleine ukjes (en dat zat dus niet in mijn berekening van een paar jaar geleden) en dat het geslacht De Smet behoorlijk productief is.

Alsof er nog niet genoeg Dries De Smet’s zijn in de wereld, heeft ene Ivo Victoria er nóg een op de wereld gezet. Niet dat ik Ivo Victoria ken, maar ik belandde op zijn blog dankzij deze blog. En een dag later, zag ik dat hij een boek heeft geschreven met, jawel, Dries De Smet in de hoofdrol (ik geef het toe, ik was mijn eigen naam aan het Googelen).

Hij schrijft:

‘Het was moeilijk te voorspellen hoe Dries De Smet zou reageren wanneer ik hem zou vertellen dat ik nimmer de Ronde van Frankrijk voor min-twaalfjarigen gewonnen had.

Maar ik moest het doen.’

Het ziet er dus naar uit dat ik geen andere keus heb, dan het boek in de betere boekhandel te halen teneinde even te verifiëren of het boek of over mij gaat (wat ik betwijfel), of ik sterke gelijkenissen vertoon met het hoofdpersoon (wat ik eveneens betwijfel). Wie weet leest u dan hier later wel een recensie, maar als u daarop niet wil wachten, dan kan u berusten in de wel zeer lovende (ironietekentje) recensie van Herman B.

Voorwaar geen slechte tactiek om een boek te verkopen, lijkt me, om een veelvoorkomende naam in je boek te verwerken. Als ik ooit een boek schrijf, dan zal de hoofdpersoon, de flamboyante Marc Peeters, een buitenechtelijke relatie hebben met Marie Janssens. Zeer tegen de zin overigens van de Aramees sprekende intellectueel Luc Maes. En hoewel de verhaallijn voor Jan Mertens, een pastoor die tevens een kebabzaak openhoudt, nog niet geheel duidelijk is, als het moet dan figureert ook zijn meid en fervent zeilster Rita Jacobs in het boek. Ook al zuigt het boek nogal, als alle voorgenoemde naamgenoten het in huis halen, dan ben ik binnen voor de volgende vijf jaar.

23 november 2009

Dikkejassendag

[GASTPOST door COLLEGA P

Martin Bril, de veel te vroeg overleden maar bekende Nederlandse columnist lanceerde ooit de term rokjesdag. ‘Rokjesdag is die ene dag in het voorjaar dat alle vrouwen als bij toverslag ineens een rok dragen, met blote benen eronder. Een jurk kan ook, maar er mogen geen panties om de benen zitten. Dat is bedrog’.

Zo moet er ook ergens een dikkejassendag zijn. De dag waarop de pret over is. Waarop de winter weer begint en al dat lekkers voor een maand of zes verstopt wordt. Deze sombere dag moet ergens in de voorbije weken gepasseerd zijn, ontdek ik wanneer mijn blik deze dagen over het straatbeeld glijdt.

Tyler Cowen, econoom en uomo universale in bijberoep, beweert dat de mooiste vrouwen in landen wonen met grote inkomensongelijkheid. En dan komt Brazilië ergens helemaal bovenaan. Daar is het dan ook elke dag rokjesdag. Die wijsheid heeft Tyler geleerd uit zijn persoonlijke ervaring. En er schuilt een economische redenering achter. Je kan hem zelf bedenken. Gebruik de woorden competitie en inkomen. Misschien hebben Tyler en ik verschillende smaken, als het over vrouwen gaat. Ik heb het niet zo voor nouveau riche huppelkutjes. Armani brillen, en Chanel riem, om de rijke man van hun dromen te strikken, en zich omhoog te … werken.

Ik klaag trouwens helemaal niet over de kwaliteit van het vrouwvolk in ons egalitaire kikkerlandje. Logisch, kikkerlandjes moeten noodzakelijk toch ook veel prinsessen hebben. Bijna onveranderlijk wanneer ik in het buitenland heb vertoefd, ben ik prettig verrast bij mijn terugkomst. In de mooiemeisjesfabrieken in ons land worden volop overuren gedraaid, daar ben ik zeker van.

Toch moet ik deemoedig toegeven dat de Russische (nog zo’n land vol ongelijkheid)  jongedame die op dit moment bij mij in de trein zit eveneens zeer licht verteerbaar voor het oog is. Brede Slavische jukbeenderen en wildernisogen, die je enkel terugvindt bij mensen die jarenlang elke ochtend na het ontbijt even over toendra of taiga kunnen staren. Zo wordt het nog maar eens bewezen: de trein, altijd een beetje reizen, in dromenland. En, omdat ze mij inspireerde voor deze post, zo bedenk ik al schrijvend met een glimlach op de bank tegenover haar, mag ik haar met recht en reden mijn muze noemen.

Zoals steevast op de trein, dommel ik in, maar de Russische schoonheid blijft op mijn netvlies gebrand. Wat later word ik opgeschrikt door de nasale stem van de kaartjesknipper die onze aankomst in zone Antwerpen aankondigt. Mijn muze is verdwenen. Ik klap mijn computer dicht, grabbel mijn spullen bijeen en rep me naar de uitgang om een laatste glimp van haar op te vangen. Daar is ze niet, maar van op het perron zie ik haar uitstappen uit de volgende uitgang. Ik herken haar nauwelijks, omdat haar schoonheid verhuld wordt in een dikke jas. En weg is de magie.

17 november 2009

“En ge gaat het nooit nie weten ook”

Collega J. improviseert al eens op de planken, heden ten dage zelfs in Amsterdam. Dat zorgt soms voor een spraakverwarring. Melig, bijvoorbeeld, begrijpen ze daar als lolbroekerig. Maar afgezien daarvan is het geheim tot improvisatietheater niet per se grappig (of melig) willen zijn, zegt collega J., maar simpelweg het dagelijkse leven uitvergroten. Décalé, zo omschrijft collega en tevens improvisatie-artiest F. het. Met een hoek af.

Uw dienaar is nog nooit naar improvisatietheater gaan kijken, maar dat hoeft ook niet. Om het dagelijkse leven met een hoek af te zien, hoef je de theaterzaal niet in. Je doorkruist gewoon het Vlaamsche land.

Zaterdagmiddag neem ik in Oostende bus 6 naar Raversijde. De bus zit aardig vol, tegenover me zit een man van middelbare leeftijd, de haren in een staartje. Hij hikt elke halve minuut en ja, het lijdt geen twijfel dat de ethanol daar voor iets tussen zit. Hij kijkt wat nors rond, tot halverwege mijn busrit een dame opstapt. Eveneens van middelbare leeftijd; de haren niet in een staartje, maar los op de schouders. Dat bevalt mijn nieuwbakken vriend wel.

Hij: “Oe is ‘t?”
Zij: “Goed hé, en met joen?”
Hij: “Moe. Lang moeten werken. ‘k Ben om vijf uur moeten opstaan om dan – hik – naar Aalst te rijden om om zeven uur te beginnen.”
Zij: “En ge zijt nu pas terug?”
Hij: “Ha ja, na mijn werk moest ik op de trein wachten en…”
Zij: “En ge zijt één gaan drinken?”
Hij: “Ja, een paar pintjes…”
Zij: “‘k Zie het!”

En dan probeert hij zijn move.
Hij: “En gij, waar werkt gij weer? ‘k Weet het niet meer.”
Zij (ferm): “En ge gaat het ook nooit nie weten ook.”

“Allez madame, geef een tipje van de sluier,” probeert hij nog herhaaldelijk met een verdraaid spreekwoord, zichtbaar geamuseerd door haar duidelijke antwoord. Het mag niet baten. Ze verlaat de bus, zonder een tipje van de sluier achter te laten. Het geeft niet. Als uit ze het zicht verdwijnt, verschijnt er een grote glimlach op zijn gezicht. En een kleine op de mijne. Die blijven voor de rest van de rit op onze gezichten kleven.

10 november 2009

Hoe vertel je een terrorist de waarheid?

Exact tweeduizend en veertig dagen geleden droomde Nele dit:

We hebben beslist om in Irak te gaan helpen. Op het vliegveld van Bagdad besef ik dat dit de grootste fout van ons leven is.

De reden waarom ik dit mij nog haarscherp herinner, is dat ik Nele op 1 januari 2005 een boekje cadeau gedaan heb met al haar dromen van het voorbije jaar. Op het moment van het vertellen ingeprent, daarna stiekem opgeschreven. Echt, als je nog om een cadeau verlegen zit voor 1 januari 2011, ik kan het je ten stelligste aanraden.

Maar stel nu, dat het echt was. Dat we gaan hulpverlenen waren in Irak. En stel nu ook nog een keer dat we gevangen genomen werden door een troepje terroristen. Niet omdat ze of een bom losgeld willen, maar omdat ze ons verkeerdelijk aanzien voor een soldaat of een geheim agent. Omdat soldaten al eens gevoelige informatie hebben over de vijand, zullen ze ons folteren tot we onze geheimen prijsgeven. Hoe zouden we dan in godsnaam kunnen uitleggen dat we geen soldaten zijn, maar brave hulpverleners?

Onze onschuld staande houden, hoor ik u zeggen. Of pittige details over ons leven geven waaruit moet blijken dat we geen soldaatjes zijn. Maar het probleem van dat alles is dat een soldaat net hetzelfde zou doen. Hij wil ook niets liever dan als onschuldige vrijgelaten worden. Elke strategie die wij bedenken om maar te doen geloven dat we geen soldaat zijn, kopieert de échte soldaat ook. Onze gijzelnemers geloven dus op geen enkele manier dat wij géén soldaten zijn. Ze zullen ons net zo hard folteren als de echte soldaten.

Een van de oplossingen die de bloggende econoom Tyler Cowen aanreikt: pas een strategie toe die veel te pijnlijk of te kostelijk is voor een echte soldaat. Verkondig luidkeels dat je nooit in het gezelschap van soldaten zou vertoeven omdat ze een ongelooflijke spruitjeslucht verspreiden. Of roep dat alle soldaten watjes zijn en dat ze het Belgisch leger beter afschaffen. En ja, ze mogen dat gerust op video zetten.

Maar de vraag is maar zeer of dat zoden aan de dijk zet. De soldaat zou net hetzelfde doen. Zijn collega’s zullen hem misschien een mietje vinden, maar ze zullen het hem zeker vergeven als dit hem in staat stelde om vrij te komen. (Deze strategie zou wel werken als je verward wordt met een religieuze fanaticus: zij zullen niet snel geneigd zijn om lelijke dingen over de Oppergod te zeggen, of om op het Heilige Schrift te plassen.)

Het ziet er hopeloos uit. Als ik het probleem aan collega en signalling-specialist Tom voorleg, brengt hij de vakterm “pooling equilibrium” ten berde. Of dus: onmogelijk om je van het andere type te onderscheiden. Of simpeler: dik gejost.

En toch is er misschien een uitweg. David Rhode, journalist van de New York Times, werd gegijzeld in Afghanistan. Hij werd in de val gelokt door de krijgsheer die zich wilde laten interviewen en Rhode bescherming bood. Een sterk staaltje Afghaanse gastvrijheid. Gezien die heer perfect wist wie Rhode was, hoefde folteren niet. Maar wat wel opvalt in het verhaal is dat de rebellen probleemloos Rhode opzoeken op het wereldwijde web, in zijn geval om een realistische inschatting te kunnen maken van het potentiële losgeld.

Mijn suggestie is om op het internet subtiel duidelijk maken dat je helemaal geen soldaat bent, weliswaar vóór je vertrekt. Door je lid te maken van de Facebookgroep “Het leger moet opgedoekt worden” bijvoorbeeld. Voor jezelf is dat maar een kleine moeite, maar voor een soldaat in functie is dat nogal vervelend. Vooral omdat zijn werkgever dat niet zal smaken. Op het moment dat de soldaat gegijzeld wordt, doet hij die uitspraak probleemloos, maar doet hij het ook als hij weet dat het hem veel miserie kan opleveren en de kans maar heel klein is dat hij gevangen genomen wordt?

Als u mij binnenkort lid ziet worden van de feestboekgroep “Leve de Creminaliteit“, dan weet u hoe laat het is. Dan vertrek ik alsnog als hulpverlener naar Irak, ook al droomt iemand op datzelfde moment dat het een vergissing moet zijn.

4 november 2009

God bestaat niet, maar u hoeft dat niet te geloven

Interessant vond u het, mijn bijdrage over het bestaan van God. Of u vond het zever in pakskes. Of beide. Zelden heb ik meer reactie gekregen op een blogpost dan op deze over God.

Kort samengevat kwam de geschetste theorie op het volgende neer. Er zijn meer dimensies in het leven dan we doorgaans aannemen. Op één van die ‘hogere’ dimensies zit God. En misschien is God wel van goede wil, aanhoort hij onze beden en lost hij onze verwachtingen in.

Collega P. vond de dimensietheorie maar niks. “Laten we er wat quantumfysica bij betrekken en alles lijkt aanneembaar. Ik kan ook zo’n theorie opzetten over het bestaan van elfjes in mijn tuin. Alleen zal iedereen dan denken dat ik wat vijzen los heb.” Punt, collega P. Maar bovenal: ik wil ook wel eens uw theorie horen over het bestaan van die tuin. (Collega P. woont op de vierde verdieping van een paleiselijk appartement. Voor een zacht prijsje kan je er ook gaan wonen. Extra troef: als hij een tuin had gehad, dan zaten er elfjes in.)

Ari heeft een appeltje te schillen over het benevolente karakter van het Goddelijk wezen. “Als God al op een hogere dimensie zou leven, en hij is benevolent, waarom zien we dan nooit enige invloed van God op onze dimensies?” Hij vertelt het verhaal van de gelovigen die bidden voor kankerpatiënten. Onderzoekers verdelen de gang in twee; voor de helft van de patiënten wordt gebeden (door aanhangers van diverse godsdiensten), voor de andere helft worden geen kaarsjes aangestoken. Guess what, de uitverkoren patiënten genezen noch sneller noch beter.

Nochtans herinner ik mij een recent geval waarbij een kanker plotsklaps verdween, en dan nog wel het toedoen van een Vlaamse pater. En ik die dacht dat Jozef De Veuster zich ingezet had voor de melaatsen. Maar ik kan me vergissen, want Jozef Ratzinger bedacht hem met de titel Heilige der Aidspatiënten. Volgens onze kardinaal is Damiaan een beetje de heilige van alle hopeloze gevallen.

Daar hadden we anders al een heilige voor: Sint-Rita, bekend van de jaarlijkse bedevaart in het gelijknamige dorp vlakbij Moerkerke bij Damme bij Brugge bij de zee. Ik herinner me dat de voltallige voetbalploeg KV Oostende er ooit een kaarsje is gaan branden. Guess what, ze gingen dat jaar toch naar tweede.

Het ziet er dus naar uit we geen bewijzen voor, maar ook geen bewijzen tegen hebben over het bestaan van God. Een beetje zoals met de elfjes in de tuin. Of met buitenaardse wezens, roze olifantjes, het monster van Loch Ness of het spaghettimonster. Ook al staat niet onomstotelijk vast dat ze niet bestaan, toch doet iedereen ze af als klinkklare onzin. Waarom zouden we dan voor het Opperwezen een uitzondering maken?

God lijkt dus bij de hopeloze gevallen thuis te horen. Nog een geluk dat we daar tegenwoordig twee heiligen voor hebben.

Thema: Rubric. Blog op Wordpress.com.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.