Exact tweeduizend en veertig dagen geleden droomde Nele dit:
We hebben beslist om in Irak te gaan helpen. Op het vliegveld van Bagdad besef ik dat dit de grootste fout van ons leven is.
De reden waarom ik dit mij nog haarscherp herinner, is dat ik Nele op 1 januari 2005 een boekje cadeau gedaan heb met al haar dromen van het voorbije jaar. Op het moment van het vertellen ingeprent, daarna stiekem opgeschreven. Echt, als je nog om een cadeau verlegen zit voor 1 januari 2011, ik kan het je ten stelligste aanraden.
Maar stel nu, dat het echt was. Dat we gaan hulpverlenen waren in Irak. En stel nu ook nog een keer dat we gevangen genomen werden door een troepje terroristen. Niet omdat ze of een bom losgeld willen, maar omdat ze ons verkeerdelijk aanzien voor een soldaat of een geheim agent. Omdat soldaten al eens gevoelige informatie hebben over de vijand, zullen ze ons folteren tot we onze geheimen prijsgeven. Hoe zouden we dan in godsnaam kunnen uitleggen dat we geen soldaten zijn, maar brave hulpverleners?
Onze onschuld staande houden, hoor ik u zeggen. Of pittige details over ons leven geven waaruit moet blijken dat we geen soldaatjes zijn. Maar het probleem van dat alles is dat een soldaat net hetzelfde zou doen. Hij wil ook niets liever dan als onschuldige vrijgelaten worden. Elke strategie die wij bedenken om maar te doen geloven dat we geen soldaat zijn, kopieert de échte soldaat ook. Onze gijzelnemers geloven dus op geen enkele manier dat wij géén soldaten zijn. Ze zullen ons net zo hard folteren als de echte soldaten.
Een van de oplossingen die de bloggende econoom Tyler Cowen aanreikt: pas een strategie toe die veel te pijnlijk of te kostelijk is voor een echte soldaat. Verkondig luidkeels dat je nooit in het gezelschap van soldaten zou vertoeven omdat ze een ongelooflijke spruitjeslucht verspreiden. Of roep dat alle soldaten watjes zijn en dat ze het Belgisch leger beter afschaffen. En ja, ze mogen dat gerust op video zetten.
Maar de vraag is maar zeer of dat zoden aan de dijk zet. De soldaat zou net hetzelfde doen. Zijn collega’s zullen hem misschien een mietje vinden, maar ze zullen het hem zeker vergeven als dit hem in staat stelde om vrij te komen. (Deze strategie zou wel werken als je verward wordt met een religieuze fanaticus: zij zullen niet snel geneigd zijn om lelijke dingen over de Oppergod te zeggen, of om op het Heilige Schrift te plassen.)
Het ziet er hopeloos uit. Als ik het probleem aan collega en signalling-specialist Tom voorleg, brengt hij de vakterm “pooling equilibrium” ten berde. Of dus: onmogelijk om je van het andere type te onderscheiden. Of simpeler: dik gejost.
En toch is er misschien een uitweg. David Rhode, journalist van de New York Times, werd gegijzeld in Afghanistan. Hij werd in de val gelokt door de krijgsheer die zich wilde laten interviewen en Rhode bescherming bood. Een sterk staaltje Afghaanse gastvrijheid. Gezien die heer perfect wist wie Rhode was, hoefde folteren niet. Maar wat wel opvalt in het verhaal is dat de rebellen probleemloos Rhode opzoeken op het wereldwijde web, in zijn geval om een realistische inschatting te kunnen maken van het potentiële losgeld.
Mijn suggestie is om op het internet subtiel duidelijk maken dat je helemaal geen soldaat bent, weliswaar vóór je vertrekt. Door je lid te maken van de Facebookgroep “Het leger moet opgedoekt worden” bijvoorbeeld. Voor jezelf is dat maar een kleine moeite, maar voor een soldaat in functie is dat nogal vervelend. Vooral omdat zijn werkgever dat niet zal smaken. Op het moment dat de soldaat gegijzeld wordt, doet hij die uitspraak probleemloos, maar doet hij het ook als hij weet dat het hem veel miserie kan opleveren en de kans maar heel klein is dat hij gevangen genomen wordt?
Als u mij binnenkort lid ziet worden van de feestboekgroep “Leve de Creminaliteit“, dan weet u hoe laat het is. Dan vertrek ik alsnog als hulpverlener naar Irak, ook al droomt iemand op datzelfde moment dat het een vergissing moet zijn.


